Maar plotseling viel ik in de kokende olie, zóó diep.... nu kom ik er nooit weer uit.... en toen stootte ik het uit.... het verliet mij.... ontvlood mij.... en ik stierf.... liggend op mijn rug was ik stervende, en lichtte mijn hoofd op en ik zag het liggen.... zoo erbarmelijk, zoo aanbiddelijk. Het lag naakt in een bloedstroom.... uitgestooten.... en toen had ik het lief.... ik had het lief met een zóó verscheurend medelijden.... leed van de hele wereld, een mantel die op je valt.... loodzwaar.... en ik stierf, maar ik was niet dood....
Ze heet Eva, de vrouw van wie we zo intens de stemmingswisselingen tijdens een bevalling meemaken. Eva was de hoofdpersoon van een gelijknamige roman. En Carry van Bruggen de schrijfster. Nooit eerder in de Nederlandse literatuur leerden we het bewustzijn van een hoofdpersoon zo goed kennen. Waarnemingen, gedachten, herinneringen lopen door elkaar heen. We weten van onszelf dat het zo werkt. Maar om het ook zo op te schrijven? Dat was nog nooit vertoond. Althans niet in Nederland.
Carry van Bruggen was de zus van Jacob Israël de Haan. Ze komen allebei op een nare manier aan hun eind: zij lijdt aan zware depressies en neemt waarschijnlijk met opzet een overdosis slaapmiddelen, hij wordt vermoord. Wat we nu nog hebben zijn hun boeken. Het werk van twee moedige mensen die wisten wat ze wilden en die bereid waren daarvoor grote risico's te nemen.
Broer en zus groeiden op in Zaandam. Hun vader was de voorzanger in de synagoge. In haar roman “De verlatene” schrijft Carry van Bruggen niets verhullend over dit joodse milieu, en over het antisemitisme dat je overal tegenkwam:
‘Jodin... smaus’ schold een jongen, die schrijlings zat boven op een hoge tuinschutting waar groen bovenuit groeide.
't Kind keek op met fellen blik. Het bloed steeg haar naar 't gezicht, donkerrood. Maar ze toonde geen ergernis, die den jongen zeker tot verder schelden zou geprikkeld hebben.. Schijnbaar onbewogen keek ze weer voor zich uit, maar de plotselinge, felle haat dwarrelde haar in 't hoofd, schroeide haar in de keel; fel bonsde haar hart. 't Liefst had ze gezien, dat op dat ogenblik de jongen van de schutting was nêer- en doodgevallen.
Carry van Bruggen had geen genade met zichzelf of anderen. Ze twijfelde, onderzocht en wilde als het enigszins kon uitersten met elkaar verenigen. Ze was van joodse afkomst, maar wilde geen joodse auteur genoemd worden. Ze was een succesvol schrijfster, maar kreeg de rillingen van woorden als ‘damesroman’ en ‘vrouwenliteratuur’. Ze liet zich niet meer kleineren. Ze was een van de meest vrijgevochten vrouwen van haar tijd.