Vanaf het eind van de 16de eeuw is ons land een republiek van 7 onafhankelijke provincies. Die benoemen een stadhouder, eigenlijk een soort president, die ‘toevallig’ ook prins van Oranje is. De functie gaat van vader op zoon, en in de loop der tijden wordt de Oranje stadhouder steeds machtiger. Maar hij is nog geen koning! Als in 1795 de Fransen ons land binnendenderen, wordt de laatste stadhouder verdreven. Willem V vlucht naar Engeland, (toodeloo!) en Napoleon neemt de macht over (bonjour!). Nappie benoemt zijn eigen broer tot ‘konijn van Holland’ en hij introduceert gelijk maar even de ‘constitutionele monarchie’: De koning heeft niet alle macht, het parlement mag ook wat zeggen, af en toe. De Fransen worden ook weer verjaagd en dan mag de zoon van de laatste stadhouder terugkomen om orde op zaken te stellen. Eind 1813 arriveert in Scheveningen het schip van Prins Willem Frederik. Die is eerst nog een paar jaar ‘soeverein vorst’, totdat in 1815 België bij de Nederlanden wordt gevoegd, en hij promoveert tot Koning. En sindsdien gaat die functie van vader op zoon op zoon op dochter op dochter op dochter op zoon (op dochter).