De instrumenten vormen families en die breiden zich snel uit. Je hebt het slagwerk zoals de pauken. Je hebt de strijkers: viool, altviool, cello en contrabas. Je hebt ook de houtblazers: fluit, hobo, klarinet en fagot. Dan zijn er nog de koperblazers: trompet, hoorn, trombone en tuba. Componisten vinden het prachtig voor al die instrumenten afzonderlijk te schrijven, maar ook voor hen samen, voor orkest. Dat orkest is eigenlijk ook een instrument. Alleen wel een groot en ingewikkeld instrument. Een veelkoppige draak. In zijn eerste symfonie, een muziekstuk voor orkest, gebruikt Mahler de melodie van Vader Jacob. Alleen het klinkt anders, dat komt door de toonsoort. Wij spelen Vader Jacob in majeur en Mahler in mineur. Over die toonsoorten kun je heel lang praten maar laten we het simpel houden. Majeur klinkt opgewekt zoals dit. Mineur klinkt droevig en dramatisch. Overal in Europa laten componisten zich door allerlei instrumenten en het orkest inspireren. Elk land heeft zijn eigen stijl. Duitsland is misschien wat verstandelijk, Italie is uitbundig en de Fransen willen vooral noten waar je mooi en statig op kan dansen zonder dat de adellijke dames over hun hoepel jurken struikelen.Precies op het kruispunt van al die stijlen ligt een stad. Een stad die het hart wordt van de klassieke muziek: Wenen.