Hier in de haven van Amsterdam werd in de Gouden Eeuw veel verdiend met handel over zee. Vanaf hier voeren Nederlandse schepen naar andere landen en ze zaten vol met spullen: graan, kaas, wollen stoffen. Die verkochten de Nederlanders aan kooplieden in het buitenland en op hun beurt kochten de Nederlanders weer spullen uit het buitenland die ze dan hier weer duurder verkochten. En zo wordt Nederland steeds rijker. Het werd een Gouden Eeuw en het was hier een drukte van jewelste met schepen die met volle lading aankwamen en met volle lading weer vertrokken.
Honderden mannen verdienden hun geld aan de zeevaart en in de scheepsbouw. Dit schip is exact nagemaakt naar een schip van toen: De Amsterdam. En zo’n schip, dat voer dan helemaal naar Azië, dat deed er maanden over. En het leven aan boord, dat viel dan lang niet altijd mee.
Op een schip leefden wel 200 tot 300 mannen: matrozen natuurlijk, stuurlui, de bootsman en de Kapitein. Matrozen sliepen maandenlang in een hangmat. Veel zeelui werden ziek door de kou of juist de hitte in Azië en het slechte eten. Alle spullen die de schepen brachten, die moesten vaak voor langere tijd worden bewaard en dat deden ze in pakhuizen zoals deze. De zeeschepen, die werden verderop in de haven uitgeladen. Die lading ging over naar kleinere schepen en zo’n klein scheepje, die kwam dan hier aan en daarna werden de spullen omhoog gehesen met kranen en touwen de pakhuizen in.
Amsterdam groeide in snel tempo. En daarom werden nieuwe grachten gegraven. Zo werd Amsterdam steeds groter. Een levendige stad vol grachten en mooie huizen.
De rijkdom die werd verdiend met de handel had ook een minder mooie kant: Nederlandse kooplieden gingen handelen in Afrikaanse slaven. En die lieten ze heel zwaar werk doen in Amerika.