Tijdens de wereldreis met dit schip, de Stad Amsterdam, doen er verschillende mensen wetenschappelijk onderzoek. Deze platen zijn aan de onderkant van de boot geplakt. Ze zijn hier geplaatst om te kijken welke dieren zich hieraan vasthechten. Deze diertjes leven vooral aan de oppervlakte van de zee. Ze zitten dus niet diep.
Maar ze plakken zich niet alleen vast aan boten, maar ook aan stukken ronddrijvend hout en aan zeeschildpadden.
Nu het schip al een paar maanden onderweg is, kan de wetenschapper ontdekken hoe de vastgeplakte diertjes veranderen tijdens zo’n verre reis over zee. Daarom halen ze de platen van de onderkant van de boot en onderzoeken ze die.
De wetenschappers ontdekken verschillende soorten dieren. Bijvoorbeeld: zeepokken. Groepjes van zakpijpen en sponzen.
Op één van de plaatjes van deze boot ontdekt de wetenschapper een eendenmossel. Volgroeide eendenmosselen bestaan uit een soort rubberachtig steeltje dat vastzit aan een harde ondergrond. Ze steken net als zeepokken regelmatig een schepnetje met een handje naar buiten om voedsel uit het water te vissen.
Meer dan 100 jaar geleden maakt de wetenschapper Charles Darwin dezelfde wereldreis. Hij heeft deze eendenmosselen toen acht jaar lang bestudeerd. Uit het onderzoek dat nu gedaan is blijkt, dat eendenmosselen zich aanpassen aan hun omgeving. Ze veranderen mee met de temperatuur en het zoutgehalte van het water. Tijdens zo’n lange reis van de ene naar de andere kant van de wereld veranderen eendenmosselen dus gewoon mee.
Met materiaal uit: Beagle - In het kielzog van Darwin.