In ondiepe Nederlandse sloten en vijvers kun je allerlei dieren tegenkomen, zoals een waterschorpioen. Een waterschorpioen ziet er gevaarlijk uit, maar dat lange uitsteeksel aan het achterlijf is gelukkig niet om mee te prikken. Als hij op jacht is, steekt hij dat uitsteeksel regelmatig even boven water om adem te halen.
Hij heeft zes poten en hoort daarom bij de insecten. Met het voorste paar poten pakt hij een prooi. De overige vier poten zijn om mee te lopen of te zwemmen, al is hij duidelijk geen snelle zwemmer. Op de rug zitten de twee donkere dekschilden. Daar zitten twee prachtige rode vleugels onder, waarmee een waterschorpioen heel goed kan vliegen.
Hier duwt hij de adembuis met wat moeite door het wateroppervlak. Even later pompt hij een voorraad lucht onder zijn dekschilden. Dankzij die voorraad kan een waterschorpioen tijdenlang onder water blijven om te jagen. In de duiksport noem je zo'n adembuis een snorkel.