En toen kon de oude koning eindelijk rustig slapen.
Dat is wel fijn voor de oude koning hé?
Dat is heel fijn voor de oude koning.
Hé Aart, jij bent ook al oud hé?
Ja, dat kan je wel zeggen. Ik ben tamelijk oud.
Was je altijd al zo oud?
Nee natuurlijk niet. Vroeger was ik jong.
Echt waar? Maar was je net zo oud als ik dan?
Ja, maar dat is dan weer heel lang geleden Pino.
Wat deed je dan toen je zo oud was als ik?
Een beetje hetzelfde. Tikkertje spelen, belletje trekken, verstoppertje. Oja, en ik had een opa en die kon heel mooi verhalen vertellen.
Had jij een opa?
Ja, maar die is er ook niet meer.
Nee, nu ben je zelf een opa.
Ja, zo gaan de dingen.
He Aart, vind jij het jammer dat je geen opa meer hebt?
Het is wel jammer, maar er is niks aan te doen Pino.
Maar zal ik jouw opa zijn dan?
Jij mijn opa?
Ja, dan ga ik jou verhalen vertellen.
Ja, wel leuk.
Echt waar? Dan moet je wel bij mij op schoot liggen hé.
Op schoot? Oh. Dat wordt wat. Even kijken. Zo?
Ja, en dan krijg jij meneer de haas. Dan gaat opa Pino jou een verhaal vertellen.
Oh ja, ja ja.
Er was eens een jongetje en die heette meneert Aart. Nee, nee, nee. Er was eens een jongetje en die heette jongetje Aart. Jongetje Aart had een hele lieve opa. Opa Pino. Opa Pino vertelde jongetje Aart altijd een verhaal voor het slapen gaan.