18, 19, 20. Wie niet weg is, is gezien, ik kom! Ja, Buut Jip, achter die grote rots! Hoe wist je dat nou? Ik zag je been. Oeps. Buut voor mezelf.
Dag Jip. Dag Pip. Dag Flip. Wat staat er op je shirt? B. ee. n. B, ee, n. Als je dat plakt krijg je bbbeennnn. Been. De b is de eerste letter. Als je goed om je heen kijkt zie je de b.
Deze wc-rol bijvoorbeeld, als je hem afrolt. Of een pan aan de muur. En wat dacht je van deze zonnebril? Zo zie je de b.
Poeh, hm…Ja! Gevonden! Waar is je andere been? Die ben ik kwijt? Hoe dan? Haha, gefopt! Ik had hem in dat gat. Joh, ik schrok me rot. Been.