Tussen 3500 en 2500 voor Christus neemt het stijgen van de zeespiegel af. De westelijke kustlijn sluit zich en daarachter stagneert de afvoer van water naar zee. In het binnenland wordt het daardoor steeds natter en ontwikkelt zich veen. De noordelijke kustlijn blijft wel onder invloed van de zee. De mensen die trekken naar hoger gelegen gebieden in het landschap of werpen vanaf 200 voor Christus terpen op.
Of ze bedenken nieuwe technieken om toch in de vruchtbare veengebieden te kunnen blijven wonen. Zo worden klepduikers ingezet voor de ontwatering van het veengebied. Maar zonder water klinkt het veen in en het gevolg is dat de bodem begint te dalen. Later gaat men in de zuidwestelijke delta en het rivierengebied de eerste dammen en dijken bouwen om het water buiten te houden. Ook leggen ze verhogingen aan in de kustgebieden en langs de noordkust van ons land, zoals de terpen, wierden of werven. Zo zijn ze veilig voor het water bij storm en springtij. Hier in Zeeland, maar ook in Friesland en Groningen kun je als je goed kijkt nog de verhogingen zien in het landschap die herinneren aan de terpen van toen.