Eigenlijk een ultraduurzame taal, ons Nederlands: we bedenken geen nieuwe woorden, maar halen ze uit andere talen, poetsen ze een beetje op, en passen ze aan. We recyclen dus woorden die eerder elders uitgevonden zijn.
Zo zeggen we niet ‘je haar drogen met een elektrische warme douche’, maar importeerden we ‘föhnen’ uit het Duits, dat het op zijn beurt weer uit het Latijn haalde, want Favonius is de zoele westenwind.
En zo eten we rond Kerst ook niet ‘in witte wijn gesmolten kaas met verschillende toevoegsels’ maar gaan we kaasfonduen, dat we weer gerecycled hebben van het Franse fondue, dat ‘het gesmoltene’ betekent.
Maar hoe spel je gerecycled eigenlijk?
Met dat woord is van alles aan de hand, want het gedraagt zich totaal anders dan werkwoorden die eenzelfde Engelse achtergrond hebben.
Kijk maar: Van Google maken we het werkwoord googelen, de stam gaat uit op –el. Dat doen we ook met tackelen en scrabbelen.
Maar van recycle maken we recyclen, de stam gaat uit op –le.
De reden hiervoor is eigenlijk heel simpel. Als we recyclen net als scrabbelen en googelen hadden behandeld, zou je dit krijgen: recycelen. En daar loopje tegen een probleem aan: je zou dit werkwoord kunnen uitspreken als [resaiselen] want een –c voor een –e spreek je uit als een -s, kijk maar, we zeggen ook freelancen en cancelen.
Recyclen houdt dus zijn Engelse uitgang, en daardoor is dit het voltooid deelwoord:
gerecycled. Niks aangepast, geen energie ingestoken: recyclen is het duurzaamste werkwoord van Nederland.
Tot ziens!