In het najaar van 1918 wordt duidelijk dat Duitsland de Eerste Wereldoorlog gaat verliezen. Meer dan 2 miljoen soldaten zijn gesneuveld in de loopgraven en het leger staat op instorten. In Duitsland roepen de sociaal-democraten in november 1918 de republiek uit en maken een einde aan het keizerrijk. Duitsland wordt een democratie, de Republiek van Weimar. Vijftien jaar later komt er al een einde aan deze democratie in Duitsland. Adolf Hitler komt aan de macht en hij zal Duitsland opnieuw naar een oorlog leiden. Hoe is dit mogelijk geweest? En hoe kunnen we die opkomst van Hitler verklaren?
In 1919 moet een nieuwe democratische regering in Duitsland de bepalingen van de Vrede van Versailles accepteren. In dit verdrag wordt Duitsland aangewezen als de hoofdschuldige van de Eerste Wereldoorlog. Duitsland krijgt hoge herstelbetalingen opgelegd. Belangrijke gebieden met veel grondstoffen, zoals Elzas Lotharingen en Sudeten Duitsland, moeten worden afgestaan.
De Duitse bevolking voelt zich diep vernederd door de strenge voorwaarden van de Vrede van Versailles. In rechtse kringen ontstaat de zogenaamde dolkstootlegende. Het Duitse leger is niet verslagen aan het front, maar in de steek gelaten door de toenmalige sociaal-democratische regering.
Een groot deel van de bevolking heeft geen vertrouwen in de regering. Vooral de uitvoerders van het bestuur: rechters, politici en ambtenaren geloven niet in de democratie. Zowel communisten als extreemrechtse groepen proberen een staatsgreep te plegen. Maar deze worden hard neergeslagen.
Dit gebeurt in een tijd waarin veel Duitsers in grote armoede leven. De onverbiddelijke herstelbetalingen zijn hiervan een belangrijke oorzaak. De Duitse regering krijgt in 1924 hulp van de Amerikaanse regering in de vorm van het zogeheten Dawes-plan.
Amerikaans leningen zorgen ervoor dat de Duitsers de herstelbetalingen aan Engeland en Frankrijk kunnen voldoen. En dat ze weer kunnen investeren in hun eigen economie. En de Duitse economie herstelt zich. De leiders van de republiek van Weimar zoeken toenadering tot Frankrijk en zorgen er zo voor dat Duitsland weer geaccepteerd wordt in Europa. Het lijkt goed te gaan met Duitsland en de Duitse bevolking lijkt vertrouwen te hebben in de toekomst en de democratie.
Maar dan gaat het mis. Op 24 oktober 1929 stort in Amerika. De beurs in elkaar. Dit heeft gevolgen voor de hele wereld, maar vooral de Duitse economie wordt hard geraakt. De Amerikanen trekken hun investeringen terug uit Duitsland en Duitse bedrijven moeten één voor één hun poorten sluiten. De Duitse regering staat machteloos.
Uit wanhoop zoekt de bevolking steun bij radicale partijen, vooral de Nationaal Socialistische Partij, de NSDAP, profiteert van de politieke en economische chaos. Binnen drie jaar wordt de NSDAP onder leiding van Adolf Hitler de grootste partij van Duitsland.
De NSDAP groeit in korte tijd uit tot een massaorganisatie. Een belangrijke rol hierbij speelt het redenaarstalent van Hitler. In agressieve toespraken speelt hij in op de onlustgevoelens van de Duitsers.
Daarnaast tuigt de NSDAP een grootscheepse propagandamachine op. Hitler trekt per vliegtuig door het land. Duitsland heeft nog nooit zo'n verkiezingscampagne meegemaakt. Ook maken de nazi's gebruik van paramilitair machtsvertoon. De knokploegen van de nazi's, De S A, en dat staat voor Sturm Abteilung. Ze intimideren hun tegenstanders met grof geweld bij de verkiezingen. In het najaar van 1932 wordt de NSDAP de grootste partij in de Rijksdag. Op 30 januari 1933 wordt Hitler rijkskanselier. En meteen schrijft hij nieuwe verkiezingen uit. Hij wil de absolute macht.
Vlak voor de verkiezingsdag gaat het gebouw van de Rijksdag in vlammen op. De communisten krijgen de schuld en worden massaal opgepakt. Hitler gebruikt de Rijksdagbrand om de machtigingswet aangenomen te krijgen. Het parlement geeft hem voor 4 jaar een absolute volmacht. Vanaf dat moment kan hij buiten het parlement om regeren. Hitler heeft nu alle macht en hij kan beginnen met de opbouw van zijn nazi-staat.