Hier groeit het Hollantsch hart. hier zwelt de zuiveltasch, Van zilver, en root gout, en vriendelijcke schyven, Die, by gevaer en noot, onze oorloghszenuw styven,
Het Amsterdam van de Gouden Eeuw ligt er nog altijd: het hart van de Republiek. Voor even kon dit hart denken dat het het middelpunt van de wereld was. Het is 1655, Joost van den Vondel beschrijft het leven rond de Dam, waar de hele wereld samenkomt:
“Hier zweet het koopmans brein, gepropt van vrachten, kielen, Papieren, wisselkansse, en munte, en beurskrackeel, En winninge, en verlies. elck grijpt naer 't beste deel,
[..]
Dan roept de Beurs zich heesch: waerheen met al uw gelt, O geltrijck Amsterdam?”
In 1648 liep de Tachtigjarige Oorlog ten einde. Het was voor Amsterdammers vele tientallen jaren een oorlog geweest die zich ver weg afspeelde: in Brabant, in Drente, in Overijssel. Af en toe werd er verloren, net iets vaker werd er gewonnen. De zonen van Willem van Oranje, Maurits en Frederik Hendrik, bleken bijna onoverwinnelijke veldheren. De prinsen hielden de vijand op afstrand en de polder veranderde in een bruisend handelscentrum.
In het hart van Amsterdam werd gebouwd aan een nieuw stadhuis dat dit moest gaan tonen en gaan belichamen. In 1655 was het stadhuis af, en Vondel schrijft een innige liefdesverklaring aan de stad die wat hem betreft inmiddels écht als het middelpunt van de wereld mag worden gezien.
“Terwijl elck element van blyschap juichen zal, De hemel huppelen, en alle starretranssen. In 't ronde, als hant aen hant, rontom ons Raethuis danssen, De Bruit, daer 't al om danst, en die, zoo fier en ryck, Op haeren schoonsten dagh en 't kussen, zit te pryck”
In het binnenste van het gebouw werd de verbinding met de rest van de wereld nog eens tot uitdrukking gebracht in drie reusachtige kaarten die in de vloer waren neergelegd. De jaren na de Vrede van Munster, de jaren waarin het stadhuis gebouwd werd, waren jaren waarin alle spanningen leken op te lossen. Niet alleen het conflict met Spanje was ten einde, ook de binnenlandse conflicten leken tot bedaren te komen.