Bij een jongen die in de puberteit komt, gaat zijn hele lijf groeien: voeten, armen en ook zijn piemel en ballen. Rond je piemel gaan haartjes groeien en er komen haartjes onder de oksels. Een paar jaar later krijg je ook haartjes op de bovenlip en op de wangen. Tegelijkertijd kan er ook iets met je stem gebeuren. Die klinkt soms wat lager en dan ineens schiet-ie weer omhoog. Tussen je twaalfde en je veertiende worden er in je lichaam zaadcellen gemaakt die nodig zijn om een kind te kunnen maken.
Vanaf de puberteit worden er elke dag miljoenen zaadcellen gemaakt. Ze worden bewaard in de zaadballen. Het uiteinde van de piemel heet de eikel. De eikel zit bij de meeste jongens verborgen onder een velletje. Dat velletje heet de voorhuid. Er zijn ook jongens bij wie de voorhuid nooit over de eikel heen zit. Bij hen is als baby of als klein kind de voorhuid door een dokter weggehaald. Dit heet besnijdenis.
Op een dag of meestal 's nachts krijg je voor het eerst een zaadlozing. Dat betekent dat er zaadcellen samen met een soort witte kleverige vloeistof, dat heet sperma, uit de stijve piemel komen.