In 1849 volgt kroonprins Willem zijn vader op als koning Willem III. Onder het bewind van zijn vader is de grondwet ingrijpend gewijzigd. De koning heeft veel macht moeten afstaan aan het parlement. Maar Willem III heeft grote moeite die instructie te accepteren. Hij wil de macht weer naar zich toe trekken. Hierdoor komt hij regelmatig in botsing met de Tweede Kamer. Ontbindt die als de Kamer op zijn strepen blijft staan en soms weigert hij de besluiten van het kabinet te ondertekenen. Maar de parlementaire democratie heeft inmiddels wortel geschoten in Nederland.
De koning kan dat niet meer terugdraaien. Politieke partijen zijn er nog niet. Er zijn wel liberale, katholieke, protestantse en conservatieve kamerleden, maar die werken op zichzelf. Zij discussiëren vanuit hun eigen overtuiging en principes, maar hun meningsverschillen zijn nooit heel erg groot. Want bijna allemaal zijn ze afkomstig uit de gegoede laag van de bevolking. Het zijn mannen van statuur. Kiesrecht is er immers alleen voor het welgestelde deel van de bevolking, Het censuskiesrecht zorgt daarvoor. Dat betekent dat alleen mannen die een bepaalde belastingssom betalen mogen kiezen of gekozen worden.
Daardoor is de Kamer absoluut geen afspiegeling van de hele samenleving en daarom eigenlijk ook niet echt democratisch. Maar dat verandert. Eind 19e eeuw industrialiseert Nederland. Veel ongeschoolde mannen trekken van het platteland naar de steden om daar in de fabrieken te gaan werken. Het is geen vetpot voor de fabrieksarbeiders. Ze maken lange werkdagen en de lonen zijn laag, hun leefsituatie is armoedig. En zonder kiesrecht zijn ze voor de verandering van hun ellendige situatie afhankelijk van anderen. De liberalen vinden dat vanzelfsprekend. Voor hen is het hebben van bezit bepalend.
"Zonder bezit is een man niet zelfstandig en kan hij ook geen zelfstandige beslissingen nemen"
Maar niet alle kamerleden zijn het daar mee een. Een groep socialisten komt op voor de arbeiders. Ze richten een partij op. De Sociaal Democratische Arbeiders Partij, de SDAP. Ze willen de slechte leefomstandigheden van de arbeiders verbeteren. Ook protestanten en katholieken richten partijen op ze willen het kiesrecht versoepelen. De liberalen verliezen terrein. De censusbepaling voor het kiesrecht wordt verder versoepeld. In 1887 krijgen meer mannen kiesrecht. Het kamerlid Samuel van Houten zorgt er een paar jaar later voor dat er weer een nieuwe kieswet wordt aangenomen waarin nog meer mannen kiesrecht krijgen. Maar voor de SDAP is dat niet genoeg. De partij wilt algemeen kiesrecht.
Haar aanhang groeit en wordt steeds mondiger. De invloed van de arbeiders neemt toe. In 1917 is de Nederlandse samenleving rijp voor algemeen mannen kiesrecht, maar van een volwaardige democratie is nog steeds geen sprake. Ook vrouwen gaan de straat op en demonstreren. Ook zij willen kiesrecht. Dat leidt in 1919 tot een grondwetswijziging. Ook vrouwen krijgen nu kiesrecht. Ruim 70 jaar na de grondwetswijziging van Thorbecke is Nederland een echte en volwaardige democratische staat geworden.