In de Middeleeuwen, ongeveer duizend jaar geleden, werden kastelen gebouwd. Het was een onrustige tijd. De mensen voelden zich niet echt veilig. Er was niet één machtige koning die alleen heerste. Er waren allemaal kleine heersers. Die vochten veel tegen elkaar om de machtigste te worden.
Daarom bouwden zij sterke forten om zich te verdedigen. De eerste kastelen waren van hout. Ze bestonden uit een houten toren met daaromheen een wal van aarde en een gracht. Bovenop die wal stond meestal een hek van houten palen met scherpe punten.
Later kwamen er kastelen van steen. Die konden niet zo makkelijk in brand vliegen en ze waren veel sterker dan hout. Ze hadden dikke muren, kleine, smalle vensters, een slotgracht en een ophaalbrug. Die kon omhoog gehaald worden wanneer er gevaar dreigde. Dan kon niemand meer het kasteel binnen.
Zo'n kasteel werd gebouwd op een heuvel of bij een brede rivier. Dan was het voor de vijand extra moeilijk om het kasteel te veroveren. Het voedsel voor de kasteelbewoners kwam van de boeren uit de omgeving. Die kregen in ruil daarvoor bescherming van de kasteelheer.
Als de vijand er aan kwam, konden de boeren vluchten binnen de muren van het kasteel. Na de uitvinding van het buskruit waren de kastelen niet zo veilig meer. Een kanon kon de dikke muren wèl beschadigen of vernielen. Daarom werden ze sinds die tijd niet meer gebruikt als fort, maar meer als woonhuis.