De zestiende eeuw is berucht om het grote aantal stormvloeden. Een reeks zware stormen en hoge vloeden die teisteren de dijken langs de Zeeuwse kust. Om verzwakte dijken te ontzien worden daarachter inlegdijken aangelegd, zoals die daar. Behalve stormen hebben de dijken ook te lijden onder het geweld van de Tachtigjarige Oorlog. Er is geen tijd en geld voor het onderhoud en soms worden dijken zelfs opzettelijk doorgestoken om de vijand op afstand te houden. Deze vorm van verdediging wordt vanaf dat moment systematisch ingezet en men begint met de bouw van de Hollandse Waterlinie.
Die loopt van de Zuiderzee tot de Biesbosch. Van de linie zelf is weinig meer te zien, maar hij ligt langs een kettingsnoer van vestingstadjes, zoals deze hier: Nieuwpoort. Tijdens een aanval door de Fransen wordt dit hele gebied eromheen zo'n 40 centimeter onder water gezet. Dat is te weinig voor een schip maar net genoeg om de vele sloten en greppels niet goed te kunnen zien. En aangezien de meeste mensen in die tijd niet kunnen zwemmen, zijn dat levensgevaarlijke valkuilen. Hier onder het stadhuis kan je nog goed de inundatiesluis zien, die ze gebruiken om het water het gebied in te laten. Zo worden de Hollanders steeds handiger met de beïnvloeding van het water. De getrapte polderbemaling wordt bijvoorbeeld uitgevonden. Hiermee kunnen grotere en diepere waterenoppervlakken worden drooggemalen. Een molen op het diepste punt van het meer pompt het water naar de binnenboezem. Daar staan molens die het verder transporteren naar de bovenkolk en van daaruit pompt de bovenmolen het water naar de ringvaart. En de polders die zijn hard nodig om de groeiende bevolking van bijvoorbeeld Amsterdam van voedsel te voorzien. En de Beemster hier wordt in 1612 drooggelegd. Dat is een plas water van ruim 7200 hectare. Kijk hier zie je dus het verschil tussen het oude landschap aan deze kant en de enorme badkuip daar, die dus al vierhonderd jaar lang droog ligt.