We gingen een beetje aan die oorlog wennen. We wisten niet beter dan, nou nu en dan is er luchtalarm, dan komen er vliegtuigen over, na verloop van tijd dan zijn de vliegtuigen weg en dan is alles weer veilig. En dan gaan we weer gewoon verder met ons dagelijks leven. Nou totdat het de middag van de 14de mei was, zeg maar rond kwart over één. Wij zaten thuis, dat weet ik nog wel, net aan de lunch (of we hadden de lunch net ongeveer beëindigd) en toen ging het luchtalarm.
Luchtalarm? Gelukkig dat jullie binnen zijn zeg.
Wat wij traditioneel deden bij luchtalarm, omdat wij op de derde verdieping woonden en dat was vrij hoog en dus riskant, gingen we naar beneden. Want er was ons dus altijd duidelijk verteld in de weken voor de luchtbescherming, om de veiligste plaats in het huis op te zoeken.
Ze vliegen laag vandaag. Kijk eens.
Willen jullie wel eens gauw bij dat raam weggaan? Waarom?
Omdat wanneer je bij het raam staat en er valt een bom… Denk je nou heus dat hier bommen zouden kunnen vallen?
Wis en waarachtig wel, bommen vallen overal.
Op een gegeven moment brak d’r echt gewoon een pandemonium los. Gefluit, gegil en bominslagen. En wij wisten niet beter of die vielen eigenlijk vlak naast ons, zo erg was het. Wij stonden tegen de muur en we voelden gewoon de muren naar binnengaan. De vloer trilde. Al het materiaal wat daar in die opslagplaats stond, dat ging heen en weer en dat viel ondersteboven. En wij wisten verder niet wat er aan de hand was, het was net of wij in de hel terecht waren gekomen.
We bedenken dat we misschien nog iets kunnen redden. Trekken de gordijnen nog van de ramen, maar het is eigenlijk belachelijk bij zo'n vlammenzee. En wat moeten we nu meenemen?
Uit alle kamers verzamelen we kleren. We gooien het goed op de bedden, slaan de lakens en dekens eromheen en krijgen zo grote pakken die we naar beneden slepen. In alle kamers kijk je nog even rond, wetend dat het verder allemaal verbranden zal. Zo hopeloos is het.
Voor het laatst zien we ons huis daar staan, laag tegen de hoge buurhuizen. We hebben nooit een ander huis gekend. We zijn er geboren en hebben er alles beleefd. Je zei altijd dat je er nooit weg zou willen. En nou moet het.
Er was een periode, een korte periode van stilte. En opeens hoorden we heel veel lawaai buiten voor de deur en toen hadden wij het lef om te gaan kijken. En wat zagen we nu? Hele stroom vluchtelingen, mensen die allemaal langskwamen. Sommigen met de gekste dingen in de hand. Sommigen met een vogelkooitje, met een klein koffertje, andere mensen gewond en allemaal schreeuwen van: ‘Vlucht nou, vlucht nou. Want de hele stad staat in brand, je moet eruit!’ En wij zijn met die mensen meegegaan.
Deze verwoesting is geheel de schuld van de Nederlandse regering. In dienst van de Britse plutocratie zette die het volk op tot zinloos verzet. Maar terwijl het volk zich dapper weerde, vluchtte de regering naar Londen en liet hen aan hun lot over.
Julius Hermann Göring, bevelhebber van de Luftwaffe, komt drie weken na het bombardement persoonlijk naar Rotterdam om het resultaat van zijn inspanningen te zien. Hij is niet de enige bezoeker. De verminkte binnenstad trekt van heinde en verre dagjesmensen die met eigen ogen willen zien wat de moderne oorlogvoering al niet kan aanrichten. Na een bezoek aan de verwoeste stad doet een jongeman uit Den Haag in een brief aan een oud-leraar verslag van wat hij heeft gezien, nuchter en zonder gêne:
‘Men wandelt langs puin, puin en nog eens puin. Spookachtig staat hier en daar het uitgebrande overblijfsel van een groot pakhuis of magazijn. Vrachtauto's rijden af en aan, tot berstens toe volgeladen met puin. Eén ding moet ik u dringend aanraden. Als u Rotterdam wilt gaan zien, doe het dan zo spoedig mogelijk. Steeds meer puin verdwijnt er. De kale, opgeruimde vlakte zijn natuurlijk ook een enorm indrukwekkend gezicht, maar dat chaotisch neer gesmeten puin maakt natuurlijk een nog veel grotere indruk. Dus mijn raad luidt voor ieder die een daadwerkelijk oorlogssouvenir in zijn hart wil bewaren: Ga niet morgen naar Rotterdam als men heden nog kunt.
Bent u wel eens in het puin geweest?
Ja, heel veel.
Wat deed u daar?
Nou, spelen. Dat was een geliefd Eldorado voor kinderen om te spelen. Want toen de boel een beetje opgeruimd was, toen zaten natuurlijk al die fundamenten nog in de grond. En in die kelders was het zo heerlijk spelen. Trappetje op, trappetje af, kruip door, sluip door van de ene kelder naar de andere. U kunt het zich wel voorstellen op die leeftijd… Het was ideaal om in te spelen. En ja, ik mag wel zeggen, het was eigenlijk, de hele oorlog is spannend geweest. Voor jongens van mijn leeftijd die opgroeiden in Rotterdam was er toch een zeker avontuur. Dan was er hier wat te doen, dan was er daar wat te doen. Zolang je er zelf niet bij betrokken raakte, was het een heel spannend avontuur.