Voor leerlingen met dyslexie is de eindtoets een nog grotere uitdaging dan voor andere kinderen. Zij mogen er daarom langer over doen en kunnen soms hulpmiddelen gebruiken. Een groeiend aantal leerlingen heeft nu een dyslexieverklaring. De diagnose wordt steeds vaker gesteld. En meestal kom je achter dyslexie als kinderen leren lezen in groep drie. Kun je dat niet al eerder ontdekken? Daarover praat ik met taalwetenschapper Maartje de Klerk. Zij hield als kind al enorm van lezen, studeerde Nederlands en tijdens haar master taalwetenschappen ging ze werken als student-assistent bij het babylab. Dat was zo leuk dat ze besloot om te promoveren op een onderzoek naar de mogelijke oorzaken en voorspellers van dyslexie. Welkom Maartje, goed dat je er bent. Dank je wel. Onderzoek bij baby's, die kunnen nog niet eens praten. Waarom de baby's? Omdat er juist in dat eerste levensjaar op het gebied van spraak-/klankverwerving heel erg veel gebeurt. Dus kinderen worden geboren met een universeel gehoor, wat betekent dat zij alle klanken van alle talen kunnen onderscheiden. Ook die klanken die niet relevant zijn, die niet voorkomen in de moedertaal. Dus dat hebben ze niet nodig. En je ziet dan ook dat ze dat gedurende het eerste jaar eigenlijk afleren, want ze worden er niet aan blootgesteld. Dus neemt dat, ja die gevoeligheid ervoor neemt af. Ja, dus Engelse baby's die gaan op een gegeven moment andere klanken herkennen dan Nederlandse baby's. Ja, zoals de a en de e. Wij hebben alleen maar de e die voorkomt in bed. Zij hebben ook de 'bad' en 'bed' verschil. Wat ik heel erg moeilijk kan produceren, maar dat komt ook ik kan het ook niet zo heel erg goed horen. Terwijl Engelse baby's groeien daarmee op. En zij zijn er dan in de heel jonge leeftijd gevoelig voor, maar ze houden dat vast of worden er zelfs beter in. Ja ja, want een we gaan straks verder praten over het onderzoek. Wat jij doet, daar komt dit ook in terug. Maar eerst even dyslexie. Wat gaat er nou eigenlijk mis als je dyslectisch bent? Meerdere factoren spelen een rol en één van die factoren is de spraakwaarneming. Dus met leren lezen moet je de klank koppelen aan de letter. Dus kun je ook voorstellen dat wanneer zo'n klank niet zo goed is opgeslagen in het hoofd, ruiziger, of wanneer je daar niet goed bij kan, dat die koppeling tussen de klank en de letter op papier moeilijker gemaakt wordt. Jij deed onderzoek in het Babylab in Utrecht en Elisabeth is daar ook langs geweest. Dat was nog in de tijd dat er coronamaatregelen waren. Nou, ik zal intussen wat uitleggen over het experiment. Zometeen gaat Emma klanken horen en dan is eigenlijk de vraag: kan ze die klanken onderscheiden van elkaar? En dat zijn dus klanken die dichtbij elkaar liggen. Wat is dit voor experiment? Dit experiment beoogt om vroege voorspellers van dyslexie te vinden. We kijken dreumesen met en zonder risico op dyslexie, en dat betekent dat ze wel of geen ouder hebben met dyslexie, hoe ze reageren op spraakklanken die zometeen afgespeeld worden. En wat is dat mutsje dan? En dat mutsje, dat is een EEG-capje. En daarmee meten we de hersensignalen van het kindje. Oke, dus dat wat mutsje, dat registreert de signalen als zij reageert op de geluiden. Ja, precies. De hersensignalen. Nou, we gaan beginnen. Veel plezier en succes. Wat gebeurt er nu? Waarom hoort ze die geluidjes? Nou, zij hoort ze heel veel grip en griep. En de ene klank hoort ze heel vaak en de andere klank hoort ze maar heel af en toe. Want we denken dat bij dyslexie iets anders gaat met verwerking van spraakklanken. Dus of ze worden anders opgeslagen in de hersenen of ze worden anders opgehaald. En dan denken we dus dat er bij de kindjes met een risico op dyslexie, dus die een dyslectische ouder hebben, dat dat signaal anders zal zijn. Is het dan zo dat kinderen die dyslexie hebben minder snel de vreemde klank als vreemd horen? Ja, dat denken we. Er zijn ook al wel onderzoeken geweest waarin dat is aangetoond, dat kinderen en volwassenen met dyslexie of met een risico op dyslexie daar minder goed in zijn. Waar ik zo benieuwd naar ben, kan je nu al op individueel niveau vaststellen dit kind heeft dyslexie of niet? Nou, dat is wel waar we naar streven en daarvoor doen we dit onderzoek. Maar dit onderzoek is nog niet afgerond, maar er wordt wel in het algemeen ook echt gekeken of wij eerder dyslexie kunnen opsporen. Wat een gewillige baby trouwens. Gaat het altijd zo makkelijk? Nee, zeker niet. Dit was een hele makkelijke en goed meewerkende baby. Zeker met dit type onderzoek waar je aan het hoofd zit en die elektroden op wil plakken is het een enorme uitdaging om dat voor elkaar te krijgen. Maar ook in ander onderzoek ja ze gaan, je kan ze niet zeggen ga zitten en zit stil en luister naar wat we je aanbieden. Dus ja ze huilen, poepen, plassen. Niet de makkelijkste proefpersoon. Nee, niet makkelijk. Nee, dit is onderzoek dat is gedaan met EEG, met zo'n badmuts op. Je hebt weer ander onderzoek gedaan. Hoe ging dat? Ja, dat is een kijk- en luisterexperiment. En daarbij zit het kindje op schoot en kijkt naar een scherm. Dat zie je hier inderdaad. En wat je dan doet is, je biedt steeds een woord aan, het gaat dan hier eigenlijk om de klanken, de klinker. Ik hoor bijna geen verschil wat er wordt gezegd. Nee, dat komt omdat het het Engelse contrast is tussen de e en de a. Van bed en bad. Wat wij niet hebben, want wij hebben alleen maar de e van pet en bed. Ja. Wij worden daar dus ook niet aan blootgesteld. Maar heel jonge kinderen dus zeg vier à zes maanden, die kunnen dit verschil nog wel onderscheiden. En dan zie je dus met acht maanden dat dat afneemt. En wat zegt dat? Wat kun je met die informatie? Ja, het zegt iets over de taalontwikkeling, hoe dat verloopt. Dat is gewoon een fundamentele vraag. Dat is goed weten hoe dat zit. Maar je kan het ook gebruiken om te kijken naar kinderen die mogelijk later problemen krijgen met taal. Dus ofwel dyslexie of taalontwikkelingsstoornis. Ja dat je kunt kijken, ja als je niet weet hoe het gaat bij kinderen die dat risico niet hebben, bij typisch ontwikkelende kinderen om het maar even zo te zeggen. Je moet het er naast kunnen leggen. Ja, want ik kan me ook voorstellen dat als je het heel goed vroeg weet... Trouwens, is dat zo? Kun je er dan ook iets aan doen? Of ja, valt er weinig aan te doen? Nou eigenlijk, wat je nu doet is echt op zoek naar voorspellers. Dus je vergelijkt groepen, groepen met en zonde of een laag risico en een groep met hoog risico. Een hoog risico heb je als een van je ouders of allebei dyslectisch zijn. En dan maak je groepsvergelijking maar dat zegt niets over het individu. We kunnen ook niet op basis van die kijktijden zonder daar heel geavanceerde statistische analyse op te doen om te zeggen of een kind dat klankcontrast kan onderscheiden, dat is al stap een. En dan wil je eigenlijk nog weten wat zegt dat nou werkelijk hè? Hoe goed je dat contrast kan onderscheiden, hoe ziet dat verloop er dan uit in de hele ontwikkeling? Maar je kan wel zeggen als een groep het anders doet dan de typische ontwikkelende groep, de groep met hoger risico, het anders doen, dan kan je zeggen. Die spraakwaarneming is een risicofactor die bijdraagt aan het ontwikkelen van dyslexie. En wat kun je dan doen als je, want als je dus een ouder bent met dyslexie en het is dus, het risico is hoog dat ook het kind dyslexie gaat ontwikkelen, wat kun je dan doen? Kun je kun je daar iets aan doen? Ja, je kan het zo veel mogelijk stimuleren. Dus dat is niet alleen voorlezen. Ik zeg, ik zou adviseren maar dat is niet op basis van mijn onderzoek, maar gewoon vanuit al het onderzoek. Dat je zo veel mogelijk voorleest en dan ook liefst interactief. Dus dat je het gesprek aangaat of vragen stelt over het boekje, dat je veel talige communicatie hebt. Waarom is dat belangrijk? Specifiek bij dyslexie? Nee, niet specifiek. Dat is eigenlijk algemeen belangrijk. Ja, het is eigenlijk sowieso belangrijk en omdat je weet, nou die groep krijgt mogelijk problemen is dat gewoon extra belangrijk om te doen. Maar het is voor alle kinderen is dit een stimulans in de taalontwikkeling. En nog specifiek voor kinderen die mogelijk dyslexie... Nee, dat gaat denk ik een stap te ver. Ja dat kunnen we nu niet. Nog niet. Nee, nog niet in ieder geval. Dat onderzoek, dat is nog gaande en moet nog meer resultaten opleveren. Dank je wel Maartje de Klerk. Dank je wel.