[stuk dialoog uit toneelstuk]
Op 23 augustus 1618 overleed de schrijver en dichter Gerbrandt Adriaenszoon Bredero. Zelden zal er meer om het overlijden van een Nederlandse auteur zijn getreurd. Een half jaar eerder door het ijs gezakt, daarvan goed hersteld, en nu opeens dood. Hij was pas 33. Wat hadden ze een plezier aan hem beleefd. En wat hadden duizenden Amsterdammers kunnen lachen om zijn kluchten en blijspelen.
[stuk dialoog uit toneelstuk]
Het dreigde stil te worden in Amsterdam: zijn vrienden treurden in een hele reeks gedichten. Een van hen schreef: ‘O sieraad van Amsterdam! Je zult in geen eeuw tijd door wie ook worden vergeten'.
Wat had Bredero nog allemaal kunnen schrijven? Misschien was hij wel op weg om de Nederlandse Shakespeare te worden.
In minder dan tien jaar tijd had hij met een paar vrienden het literaire leven in Amsterdam en daarmee in de Republiek geheel veranderd. Literatuur was eeuwenlang een zaak van rederijkerskamers geweest. Bredero en zijn vrienden, onder wie P.C. Hooft en Samuel Coster, waren ook lid van de Amsterdamse rederijkerskamer. Ze krijgen steeds meer moeite met de gezellige beslotenheid en het bijbehorende amateurisme.
Het armzalige gerijmel waar dat op uitliep staat hen tegen. Ze wilden mooie, soepel lopende sonnetten, op de Italiaanse manier. En toneelstukken met mensen van vlees en bloed. Wat moet je met toneelfiguren als de deugd en de onschuld, waar de rederijkers patent op hadden. Ze wilden echte acteurs die in een echt theater speelden. Er moest veel veranderen.
Regelmatig trokken er buitenlandse toneelgroepen door de Republiek, die lieten zien hoe het ook kon. Mooi aangekleed, veel beweging en snedige teksten. Ze kwamen uit Frankrijk en vooral uit Engeland, waar het toneel een heuse vermaaksindustrie was geworden. Dit kunnen wij ook dachten Bredero en zijn vrienden, enigszins jaloers, want de buitenlanders hadden veel succes. De Amsterdamse rederijkers kwamen nog altijd bijeen boven de Vleeshal, waar het om te beginnen niet al te lekker rook.
Samuel Coster, in het dagelijks leven dokter in dienst van de stad, nam het risico een eigen theater te laten bouwen. Hij noemde het de Nederduytsche Academie. Er zou ook ruimte zijn voor wetenschappelijke lezingen en discussies. Een cultureel brandpunt in het zo snel groeiende en zich vernieuwende Amsterdam.
[stuk dialoog uit toneelstuk ‘Warenar’]