In het rivierkleigebied probeert de boer zoveel mogelijk grond, ook direct naast de rivier, voor zijn bedrijf te gebruiken. Daarom wil de boer ook op de uiterwaarden vee kunnen laten grazen. Dat is het gebied tussen de winterdijken en de rivier.
Je vindt soms in die uiterwaarden ook nog oude rivierarmen. Door het wisselende waterpeil van de rivier, zijn in dit landschap oeverwallen en kommen ontstaan. Hoe ging dat?
Oeverwallen bestaan uit zand dat is achtergebleven na een hoge waterstand. Kommen zijn de lage gebieden met klei. De mensen woonden op de oeverwallen. Daar maakten ze akkers en plantten fruitbomen. In de kom lieten ze het vee grazen.
Soms kwam het water zo hoog, dat het huis en het land van de boeren overstroomden. Daarom bouwden de boeren dijken, de winterdijken, om het water tegen te houden. Het gebied tussen de dijk en de rivier heet uiterwaard. Om het te beschermen werden er zomerkades direct naast de rivier gemaakt. Zo bleven de uiterwaarden in de zomer droog. En kon er vee op grazen.
De uiterwaarden worden ook vaak als camping gebruikt. Natuurlijk alleen in de zomer, want bij de hoge waterstanden in de winter lopen de uiterwaarden nog steeds onder. Als een dijk na verloop van tijd toch doorbrak, ontstond er een plas achter de dijk. Zo een ronde plas naast een dijk noemen we een wiel. Een oude dijkdoorbraak.
Later werd er, om het gat te dichten, een dijk op de wiel aangelegd. De rode lijn laat de oorspronkelijke dijk zien. En zo ziet het rivierkleilandschap er dus uit met dorpen op oeverwallen en aan beide zijden van de rivier de uiterwaarden.