Op deze plantage was er een suikerfabriek en tot vlak na de slavernij-afschaffing zelf heeft mijn over overgrootvader op deze plantage gewerkt. Dit is dus dan zijn dochter. De moeder van mijn oma. Zij is geboren tijdens de slavernij, maar tijdens de afschaffing was zij nog een kind. Dit zijn de kralen en zoals je kan zien. Deze zijn echt blauw. Echt zeeblauw. Deze lagen altijd thuis bij mijn oma en bij haar moeder en bij haar moeders vader enzovoort, enzovoort. De kralen waren niet zo makkelijk te bemachtigen voor de slaven ook. Vandaar dat het onder de slaven zoveel waarde had. Want je moet niet vergeten. Het is begonnen als trade beads en is later slave beads geworden omdat het zo onder hun gewaardeerd wordt. Dit was een betaalmiddel. Voor mij om hier te zijn overheerst het gevoel van zo wat een mooie zonsopkomst. En dan, op een gegeven moment sta je hier en je kijk om je heen. Met de kralen in mijn hand en ik zie de ruïnes, dan word je ermee geconfronteerd. Dat is best wel lastig. Ik ben maar blij dat ze in het Rijksmuseum komen te staan tijdens de tentoonstelling. Wie zou dat hebben gedacht? Het is allemaal dus dan familiebezit. Wat ik dus soms apart vind, is dat het tot de afschaffing wel een betaalmiddel werd, maar alleen onder de slaven en de slavenfamilies en dat er dus dan daarmee bijvoorbeeld je vrijheid kon kopen. Je kon daarmee trouwen. Je kon daarmee vis of brood mee kopen of een stuk grond naar jezelf toe-eigenen of lenen van het huis van de baas van een plantage. Ze zeggen dat op de dag van het afschaffing van de slavernij heeft men dus dan die slaven, al die kralen in de zee gegooid als symbool van 'we zijn vrij en we gooien ze gewoon weg'. Ze spoelen tot de dag van vandaag na een orkaan aan. Aan de kust. En dat is wel bijzonder. Als je er eentje vindt, ben je echt trots. Het doet wat met mensen. Maar dat gebaar van in zee gooien, van nou ja, dit is ligt achter ons en we beginnen een nieuw leven, vind ik prachtig.