Deze keer maken we een blaasinstrument. Daarvoor heb je nodig: een buis, ballonnetjes, een schaar, elastiekjes en een tuinslang. Voorbeelden van blaasinstrumenten zijn de blokfluit, de saxofoon en toeters. Bij een blaasinstrument pers je lucht door een opening die net iets te klein is. Daardoor komt de lucht onder druk te staan, en die druk veroorzaakt trilling. En trilling is geluid, dus dat is wat je hoort. Aan de slag. Knip de bovenkant van een ballon af. Wind een elastiekje strak om de buis heen. Steeds een slagje draaien. Dan doe je de ballon over de buis en rolt het elastiekje zodat het goed vast zit. Dan knip je een stukje van de tuinslang af en wriemelt het tuitje van de ballon er overheen. Ook dat maak je goed vast met een elastiekje. Trek het goed strak. En blazen maar. Je eigen toeter. Je kan een stuk van de buis afzagen, zodat je twee ongelijke stukken hebt. In de korte buis trilt de lucht sneller, dus krijg je een hogere toon. Hoppatee!