Dit is kamp Auschwitz in Polen. Hier komen in de Tweede Wereldoorlog, iedere dag weer, treinen volgepakt met doodsbange mensen aan. Het zijn vooral joodse mensen. Ze worden de trein uit gecommandeerd. Mannen worden gescheiden van hun vrouw en kinderen. Broers en zussen moeten uit elkaar. Families vallen uiteen.
De mensen worden in kale barakken gestopt. Hier slapen ze op planken, zonder dekens en kussens. Met overal vlooien en luizen. Ze krijgen nauwelijks te eten. Niet vreemd dat de éen na de ander doodgaat van de honger, van uitputting of door besmettelijke ziektes.
Gezonde en sterke mensen moeten keihard werken voor de nazi’s. Maar de meesten worden direct na aankomst door hen vermoord in gaskamers. Al hun spullen en koffers moeten ze achterlaten. "Die krijgen jullie later weer terug", wordt ze verteld, "nadat jullie hebben gedoucht".
Om er voor te zorgen dat niemand in paniek raakt, doen de Duitsers net alsof iedereen echt gaat douchen. Maar dit is geen douche. De douchekoppen zijn nep.
Waar zou Kaat nou zijn?
Er komt geen water uit de douchekoppen maar giftige gassen. De hele ruimte wordt gevuld met blauwzuurgas, een dodelijk gas. Na een paar minuten is iedereen dood.
De dode lichamen worden verbrand in ovens, de as wordt gedumpt in vijvers op het kampterrein. Aan het eind van de oorlog willen de nazi's niet dat de sporen van hun massamoord worden ontdekt. Daarom blazen ze de gaskamers en de ovens op.
Het Vernietigingskamp Auschwitz wordt in januari 1945 door Russische troepen bevrijd. In het kamp zijn nog maar 5500 mensen in leven. Eigenlijk meer dood dan levend. Anderhalf miljoen mensen zijn in het kamp vermoord.
Het enige wat achter is gebleven zijn hun persoonlijke spullen, heel veel spullen. Die hebben de nazi’s ingepikt. Koffers, schoenen, Brillen. Zelfs het goud uit hun gebitten stelen ze. En de slachtoffers worden kaalgeschoren. Van hun haren worden onder andere dekens gemaakt. En tienduizenden foto’s. Al deze mensen zijn vermoord in Auschwitz.