Ik voelde de lichte deining van het schip dat zich door het water voortbewoog. Ik hoorde geroep en tussen het geroep door was er gekreun. Zacht maar aanhoudend, met lange uithalen als van een gewond dier. Angst, weet ik nu, kun je ruiken. De misselijkmakende zure lucht die ik rook was vooral de doordringende geur van angst. Ik was geroofd. Gevangengenomen door de slavenrovers voor wie ik zo was gewaarschuwd! We verbleven de gehele tocht onder in het donkere, stinkende ruim. Het was een helletocht. Er waren mensen gestorven en anderen waren ziek of zodanig verzwakt dat ze niets anders deden dan liggen en kreunen. Angstaanjagend kreunen.