Aan het eind van de Gouden Eeuw verdwijnt hier in de haven van Enkhuizen steeds meer bedrijvigheid. Maar niet alleen hier, in alle steden langs de Zuiderzee verdwijnt de welvaart. Het begint allemaal als in 1666 de Engelsen zo'n 170 koopvaardijschepen op de rede van Terschelling vernielen. De Nederlanden zijn in oorlog met Engeland. De steden rond de Zuiderzee hebben daar enorm onder te lijden. Ook de visserij heeft het moeilijk, omdat ze nu niet meer overal terecht kunnen om te vissen. Bovendien is er ook dan al sprake van overbevissing. Een stad als Enkhuizen heeft het heel zwaar en de bevolking die daalt wel met 75 procent. Het land verkeert in een enorme recessie en als er geen geld is voor eten dan is er ook geen geld om de dijken te onderhouden. Ze worden verder verzwakt en breken steeds vaker door. Lapmiddelen met wier en houten palen werken maar even. Helemaal als in 1730 de paalworm meelift vanuit de Oost en het hout op grote schaal aantast. Uiteindelijk besluit men in 1798 tot een nationale aanpak. Het Bureau voor den Waterstaat wordt opgericht, de voorloper van Rijkswaterstaat. Langs de hele kust worden beschoeiingen van steen aangelegd en het bureau zorgt ervoor dat alles goed wordt onderhouden. In die tijd houdt men nog weinig rekening met cultureel erfgoed. Gelukkig zijn havens als deze er nog en ze zijn nu een beschermd stadsgezicht.