Dieren. Sinds mensenheugenis komen ze voor in verhalen. In de Middeleeuwen vertellen dichters over dieren zoals ze over de hele Schepping vertellen: alles wat de dieren doen heeft een betekenis. Denk aan de pelikaan, die met haar grote snavel in haar hals prikt en haar jongen tot leven wekt met haar eigen bloed. Een heel bekend verhaal, altijd weer dankbaar doorverteld door dichters die de vergelijking maken met de dood van Jezus aan het kruis; ook hij gaf zijn bloed en zijn lichaam voor de mensen. Maar wat nu als de dichter van een dierenverhaal die mooie interpretaties doorkruist, wat nu als zo’n dichter laat zien dat het leven meedogenloos is, dat je moet zien dat je overleeft? Dat er in dit leven misschien helemaal geen bedoeling is? Zo’n dichter is er, in de Middeleeuwen al. We weten niet veel zeker over hem, alleen zijn naam: Willem. Willem is misschien wel de geheimzinnigste schrijver uit de Nederlandse literatuur. We hebben nog één van zijn werken. Het is een dierenverhaal, maar het is ook een briljante parodie op de ridderroman, en zelfs een juridische thriller. De hoofdpersoon is een sluwe vos, Reinaert. Daarover zo meteen meer. Want Willem is de schrijver van nog een boek, de Madoc. Van die tekst is geen letter bewaard gebleven, maar geleerden hebben hun vermoedens over de inhoud. Het zou een occulte tekst kunnen zijn, een droomverhaal, dat zou meteen verklaren waarom er niets van bewaard is gebleven.. En de naam Madoc verwijst waarschijnlijk naar de oude Kelten… Hoe meer je gaat speuren naar Willem, hoe interessanter hij wordt. Een eenzame artiest die de wereld haat, is hij wel genoemd. Maar ook – afgaande op de Reinaert – een slimme jurist die uit eigen ervaring weet hoe je aan het langste eind trekt. Het is ook niet zo gek natuurlijk, dat juist een jurist de wereld gaat haten. Wie weet immers beter hoe zelfs de hoge heren en dames elkaar naar het leven staan Willem vertelt in Van den Vos Reynaerde over een aantal machtige dieren, die allemaal hun zwakke plekken hebben. Aan het hoofd van die dieren staat de leeuw, Koning Nobel. Hij blijkt de grootste stumper van allemaal.
De dieren hebben het voorzien op de vos Reinaert. De vos is een schurk, maar de andere dieren zijn zomaar niet van hem af. Als ze hem voor het gerecht willen slepen, leidt hij ze stuk voor stuk om de tuin. Als Tibeert de kater de dagvaarding voor Reinaert komt brengen, vertelt de vos hem over de schuur van meneer pastoor vlakbij, waar het krioelt van de vette muizen. Voor die muizen vergeet meneer Tibeert maar al te graag dat het recht zijn loop moet hebben. In de schuur van meneer pastoor wordt het een drukte van belang, want Tibeert komt vast te zitten in een strik. De hele huishouding loopt uit om de gillende indringer te vermoorden, met meneer pastoor – die in zijn blootje uit bed is gesprongen – voorop. Hij takelt de kater stevig toe, maar die geeft zich niet zomaar gewonnen.
Alse Tybeert dat ghesach,
Dat hi emmer sterven soude,
Doe dedi een deel als die boude,
Dat dien pape verghinc te scanden.
Beede met claeuwen ende met tanden
Dedi hem pant, alsoet wel scheen,
Ende spranc dien pape tusschen die been
In die burse al sonder naet,
Daermen dien beyaert mede slaet.
De scene wordt zo spannend en vermakelijk dat hij lange tijd is geschrapt uit schooledities van het werk. Willem weet nog altijd een gevoelige snaar te raken.