Zó geliefd is de schrijver Theo Thijssen nog altijd. Een paar jaar geleden gaven lezers van zijn Kees de jongen een demonstratie van hoe zij dachten dat de zwembad pas eruit moest zien. De roemruchte zwembadpas…
‘Áls je ’s goed opschieten wou; moest je voorover gaan lopen, net of je telkens viel en dan maar met je armen zwaaien, heen en weer.’
Wat Kees zo bijzonder maakt is dat we niet alleen vernemen wat hij meemaakt, maar ook waar hij over piekert en fantaseert, denk aan zijn grote liefde voor Rosa Overbeke waar hij boos of verdrietig over is. Zo windt Kees zich enorm op over de kleren waar hij in rondloopt.
Net als veel andere schrijvers uit deze tijd, begon Thijssen zijn loopbaan als onderwijzer. En hij ergerde zich eraan hoe kinderen ten onrechte in een zedenprekerig keurslijf werden gebracht en klein werden gehouden. Een kind was een volwaardig mens, dat recht had op aandacht en respect.
De Oostenrijkse psychiater Sigmund Freud had, op basis van vele gesprekken met patiënten in zijn spreekkamer, de theorie ontwikkeld dat veel problemen van volwassenen hun oorsprong vonden in hun kindertijd. Hij leerde zijn patiënten hun herinneringen te ordenen en te verwerken.
Iets vergelijkbaars gebeurde in de literatuur: er verschenen in de eerste helft van de twintigste eeuw een grote stroom boeken waarin kinderlevens centraal stonden. En dit waren bepaald geen kinderboeken. Vaak was het een rauw bestaan in armoede. Met ouders die jong sterven. Met geldgebrek. Maar ook met ontluikende gevoelens en obsessies. Volgens Freud kwamen die het zuiverst tevoorschijn in onze dromen… De Haan beschreef Palestina in hartstochtelijke stukken voor het Algemeen Handelsblad. In 1925 werd hij in koelen bloede in Jeruzalem vermoord, gevolg van een conflict met medezionisten. Het was alsof hij het had voorzien:
'Ik heb een granaatappel leeggebroken. En ik wilde, dat ik met u, o, felle vrager, de rode pitjes delen kon. En dat jij dit beseffen zou: dat het toch alles één is. Leven en Dood. Jeruzalem. Amsterdam.'