In de 16de eeuw zijn kruiden en specerijen erg gewild in Europa. Peper bijvoorbeeld wordt gebruikt om het eten te kruiden, om voedsel langer te kunnen bewaren, én peper wordt gebruikt als medicijn. Van gemalen peper moet je namelijk niezen en ze denken in die tijd dat niezen goed is om je hersenen te zuiveren.
Omdat de vraag naar peper in Europa heel groot is, is het ook peperduur. Er wordt enorm veel geld mee verdiend. Zoveel, dat er in de 16de eeuw een echte specerijenkoorts heerst. Steeds meer handelaren gaan naar Azië om specerijen te kopen. In Azië lopen al die handelaren elkaar onhandig voor de voeten. Ze bieden tegen elkaar op, waardoor de inkoopprijzen steeds hoger worden. En terug in Amsterdam bieden ze zoveel specerijen te koop aan dat de verkoopprijzen steeds lager worden. Niet zo slim dus.
De Staten-Generaal - dat is het bestuur van alle Nederlandse provincies - grijpt dan in. Ze dwingt de kooplieden om te gaan samenwerken in plaats van met elkaar te concurreren. Ze worden verplicht om samen één handelsonderneming te vormen: de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
Deze VOC wordt in 1602 opgericht en krijgt heel veel macht. Het is de enige organisatie in Nederland die handel mag drijven in Azië. Het mag verdragen sluiten met Aziatische vorsten, forten bouwen, soldaten plaatsen én oorlog voeren.
Dat de VOC dat allemaal mag, is heel bijzonder. Tenslotte is de VOC geen land, maar een bedrijf zoals Shell of Philips nu. Stel je eens voor dat die bedrijven een eigen leger zouden hebben en oorlog zouden gaan voeren met andere landen! Maar ja, de VOC mag dat dus wel, en doet het ook.
De Verenigde Oost-Indische Compagnie is een bedrijf met bezittingen over de hele wereld: op de Indonesische eilanden, op Sri Lanka, in India, Japan, China en Zuid-Afrika. Eigenlijk is de VOC de 1ste multinational ter wereld. Het heeft honderden schepen en tienduizenden werknemers.