In 1914 rommelt het al een tijdje in Europa. Een aantal landen maken fikse ruzie met elkaar. Wanneer de Oostenrijkse kroonprins wordt neergeschoten, slaat de vlam in de pan. Oostenrijk geeft Servië de schuld en verklaart dat land de oorlog. De ruzie spreidt zich als een olievlek uit over heel Europa. Een aantal landen hebben beloofd elkaar te helpen wanneer er oorlog uitbreekt. Duitsland, Hongarije, Turkije en nog een aantal landen sluiten zich aan bij Oostenrijk. Dat zijn de Centralen. En onder andere Frankrijk, Engeland, Rusland en later ook de Verenigde Staten zijn de vrienden van Servië. Dat zijn de geallieerden. Uiteindelijk gaat de ruzie tussen 33 landen over de hele wereld. Vandaar de naam Wereldoorlog. Nederland is samen met een handjevol andere landen neutraal. Dat wil zeggen dat ze geen partij willen kiezen in deze ruzie. Maar we hebben wel last van de gevolgen van de oorlog. Er is veel honger en armoede en dat komt omdat normale handel met andere landen bijna niet mogelijk is. En er komen heel veel vluchtelingen naar ons land toe. Ook België probeert neutraal te blijven, maar wordt gedwongen aan de oorlog mee te doen omdat Duitsland besluit dwars door België te trekken om Frankrijk te veroveren. Back home by Christmas. Weer thuis met de kerst, dat is het idee. Die Engelsen zullen die Duitsers wel even een lesje gaan leren. Met miljoenen jonge soldaten tegelijk melden ze zich meestal vrijwillig aan. Op naar het avontuur. Sommigen liegen zelfs dat ze oud genoeg zijn, zodat ze maar het leger in kunnen. Zo graag willen ze naar het slagveld. Op de dag zelf worden ze uitgezwaaid door hun ouders en de jonge soldaten gaan vrolijk, zingend en fluitend richting het front. Eén van hen is John Gambill. Hij komt in 1915 aan in België als de oorlog al een jaar aan de gang is. Hij is dolblij dat hij eindelijk naar het slagveld in België kan om daar tegen de Duitsers te vechten. Maar John merkt al heel snel dat er werkelijk geen enkele reden is om enthousiast te zijn. Het lachen en zingen vergaat hem. Hij komt terecht in een smerige oorlog met verschrikkelijke wapens, waar miljoenen mensen net als hij kansloos aan hun einde komen. Het geweld gaat altijd door, elke dag en elke nacht. Slapen doen we niet langer dan drie uur en onze kleren doen we nooit uit. Alleen al het besef dat hier niet weg te komen is, maakt iedereen bloednerveus. De Duitsers trekken dus met hun legers richting Frankrijk om dat land te veroveren. Maar op weg daar naartoe lopen ze in België vast. Door de aanhoudende regenbuien komen ze geen centimeter verder. En dan gebeurt er iets wat nog nooit eerder zo massaal gedaan is een oorlog. Soldaten graven zich in. Ze graven heel veel geulen, de beruchte loopgraven. Ze zijn soms kilometers lang en van hieruit beschieten ze elkaar. Leven in zo'n loopgraaf is verschrikkelijk. Overal modder, luizen, ratten. John kan zich nergens wassen. Er is geen toilet, er is geen schoon water en soms is er zelfs geen eten. En de hele tijd het geluid van beschietingen, bombardementen, fluitende kogels, het gekerm van stervende kameraden om je heen. Het is hel de aarde. Elk moment kan je je laatste zijn. Het is om gek van te worden. Soldaten kunnen geen kant op. Ze zitten maar in de koude modder te wachten totdat er weer geprobeerd wordt een stukje land te veroveren. Dam klinkt er een fluitsignaal. En dan worden de soldaten met honderden tegelijk gedwongen de loopgraven te verlaten en richting de vijand te rennen. De meesten van hen hebben geen schijn van kans en worden een paar meter doodgeschoten of lopen vast in een prikkeldraad. De rest trekt zich terug. Geen centimeter land veroverd en dat gaat zo maar door. Tijdens de Eerste Wereldoorlog worden steeds weer nieuwe technieken ingezet om zo veel mogelijk soldaten te doden en een klein stukje land te veroveren. Machinegeweren, tanks, vliegtuigen, prikkeldraad. Het ene wapen is nog verschrikkelijker, dat het andere. Maar het aller ergste nieuwe wapen is gifgas. Het wordt hier op deze plek door de Duitsers voor het eerst ingezet. Bij gebruik moet je uitkijken hoe de wind staat. Anders krijg je zelf de volle laag in je gezicht. Zondag 19 december zal ik nooit vergeten. Ons schuilhol was helemaal gevuld met gas. Vreselijk was het. Het gras had al een paar van onze jongens gepakt. Maar hoestend en kokhalzend moesten we toch voorwaarts. De verwoestende werking ervan is voor iedereen een complete verrassing. Honderden soldaten sterven tijdens zo'n gifgasaanval tegelijk een verschrikkelijk pijnlijke dood. Tijdens de Eerste Wereldoorlog gaat de strijd maar door en door en door. Er wordt weinig vooruitgang geboekt en er vallen heel veel doden en gewonden. De doden worden meestal gelijk achter het slagveld begraven en de gewonden worden zo veel mogelijk opgelapt, zodat ze vervoerd kunnen worden naar het veldhospitaal dat hier stond. De Lijssenthoek. Hier wordt dag en nacht keihard gewerkt om zoveel mogelijk levens te redden, maar vaak komt de hulp te laat. Wie er sterft in dit veldhospitaal, wordt hier begraven. En zo is begraafplaats Lijssenthoek ontstaan. In het begin worden alle doden nog keurig netjes begraven, maar later sneuvelen er zoveel soldaten. Er is gewoon geen tijd meer voor. Dus hun lichamen worden gewoon zo in een kuil gekieperd. Begraafplaatsen worden groter en groter. Eind mei 1916 krijgt de moeder van John toch weer een nieuwe brief en ze hoopt zo dat die van haar zoon is. Maar dat is niet zo. Het is van het leger. En ze krijgen het ergste nieuws dat een moeder kan krijgen. Helaas moet ik u meedelen dat uw zoon, luitenant John Campbell, vanochtend om halfzeven is gestorven. Ook na de dood van John, gaat de strijd nog jarenlang door en al die tijd verschuiven de grenzen van het oorlogsgebied nauwelijks. Er sterven wel miljoenen soldaten en burgers door het oorlogsgeweld. Pas in 1917, wanneer de Amerikanen met de geallieerden mee gaan vechten, komt het einde van de oorlog in zicht. Op 11 november 1918 geven de Duitsers en haar bondgenoten zich tandenknarsend over. De meeste mensen hebben zoveel ellende gezien en meegemaakt, dat ze vinden dat alles anders en beter moet. De wereld is voorgoed veranderd, maar de oorlog wordt niet vergeten. Zeker niet in België. Dit is de weg waarover John en honderdduizend andere soldaten marcheerden richting het front. Nu staat hier een monument voor al die mannen en vrouwen die omgekomen zijn rondom Ieper en waarvan het lichaam nooit gevonden is. Iedere naam op deze muur, staat voor één persoon. Er staan er hier 55.000. Op deze begraafplaats zijn nog eens 35 duizend namen van nooit meer teruggevonden soldaten gegraveerd. Er zijn nog minstens drie van dit soort muren nodig om alle vermisten op kwijt te kunnen. Overal zie je klaprozen. De klaproos is het symbool van de Eerste Wereldoorlog. Dat komt omdat het namelijk één van de weinige plantjes was dat kon overleven op het bloedige slagveld. Ik denk dat John ze vanuit de loopgraven ook wel gezien heeft. In plaats van te vechten tegen de vijand, heeft hij die laatste nacht in het veldhospitaal gevochten voor zijn leven. Hij heeft het niet gered. 22 jaar één van de bijna 20 miljoen mensen die zijn omgekomen tijdens de Eerste Wereldoorlog.