Hoe dieper je onder water gaat, hoe hoger de waterdruk wordt. Dat kun je zien aan de hand van een opblaaswalvis op een diepte van 4 meter. De duikinstructeur laat zien dat het water het opblaasdier van buitenaf indrukt. Als hij de opblaaswalvis loslaat, stijgt deze op. En doordat er dan steeds minder druk op de walvis komt, zet hij uit... totdat hij boven is.
Maar wat gebeurt er met de duikers zelf als die weer naar boven zwemmen? Het lichaam van een duiker werkt net als een fles priklimonade. Als je zo'n fles opent, gaat de druk eraf en stijgen er ineens gasbellen op. In het bloed van de mens zijn ook gassen opgelost, die reageren net zoals koolzuur in een fles limonade. Als een duiker te snel naar boven komt, neemt de druk op zijn lichaam te snel af en gaat zijn bloed bruisen. Het zijn stikstofbellen, en die kunnen de bloedbaan verstoppen. Embolie heet dat.
Alle duikers zijn bang voor deze bloedvatverstopping, want het kan dodelijk zijn! Duikers gaan daarom heel langzaam en in kleine stapjes naar de oppervlakte. Op die manier voorkomen ze dat hun bloed gaat bruisen.