Ongeveer 130 jaar geleden presenteerde Alexander Graham Bell een trechtervormige uitvinding met een varkensblaas als vlies. Door in het apparaat te praten ging het vlies trillen en zo werd gesproken tekst omgezet in een elektrische stroom die via koperdraden bij de ontvanger terechtkwam. Bij de ontvanger werd de elektrische stroom weer omgezet in geluid. De eerste telefoon was zo gemaakt, dat er gesproken én geluisterd mee kon worden.
Verstaat u mij?
Hallo, wie is daar? Hallo.
Als huistelefoon werd ie vaak mooi verpakt, zoals in een fotolijst.
Kunt u mij zo verstaan?
De Engelse uitvinder Hughes zorgde in 1878 voor een verbeterde microfoon die werd ingebouwd in de telefoons. Er kwamen steeds meer telefoons en alle gesprekken gingen via een centrale. Een zogenaamde centralist zorgt voor de verbinding tussen zender en ontvanger.
Langzaamaan konden mensen over steeds grotere afstand gesprekken met elkaar voeren. Dit gebeurt dan nog wel met handschakelingen en via meer dan één centrale.
De telefoontoestellen kregen steeds andere vormen.
Rond 1920 komt de kiesschijf waarmee de beller zelf een verbinding tot stand kan brengen via een automatische telefooncentrale. In de automatische centrale hebben zogenaamde kiezers het werk van mensen overgenomen. In enkele seconden kunnen zo afstanden van duizenden kilometers worden overbrugd.