In het heelal zijn veel sterren te zien, die allemaal roerloos aan de hemel lijken te staan.
Maar er zijn ook verschijningen die zeker niét rustig zijn. Pulsars.
Pulsars zijn lichtjes die rondtollen.
Ze worden ook wel de vuurtorens van het heelal genoemd.
Dit is een animatie van zo’n pulsar.
Ze zijn best klein. Je kunt ze dus niet zien vanaf de aarde. Maar met speciale apparatuur kun je het ronddraaien wel meten.
Het woord pulsar komt van het woord pulseren. Vergelijk het maar met het kloppen van een hart. Wetenschappers die pulsars onderzoeken, proberen eigenlijk die hartslag te vinden. Soms gaat het enorm snel. Deze bijvoorbeeld draait wel 11 keer per seconde. Dat zou zo kunnen klinken. Anderen kunnen nóg sneller.
Een pulsar ontstaat als een ster, heel ver weg, explodeert. Bijna alle gassen en stoffen worden dan het heelal in geblazen. Maar de kern, de kleine hete binnenkant, die blijft bestaan.
Door de explosie zit daar zoveel energie samengeperst, dat ie gaat rondtollen. Hij straalt ook continu deeltjes uit. En hij is onvoorstelbaar zwaar.
Hoe zwaar? Nou, een theelepeltje van zo’n kern weegt zwaarder dan alle mensen op aarde bij elkaar.
Pulsars kennen we nog niet zo lang. Pas zo’n 60 jaar geleden heeft een sterrenkundige de hartslag van een ronddraaiende ster voor het eerst gemeten. De allereerste pulsar.
Sindsdien is al veel onderzoek gedaan naar pulsars, bijvoorbeeld met deze satelliet. Er worden ook af en toe nieuwe ontdekt. Maar hoe het preciés werkt, en wat er in de toekomst met een pulsar gebeurt, dat is nog niet helemaal duidelijk. Daarom blijven onderzoekers goed kijken naar de ronddraaiende sterren.