In de Middeleeuwen was het heel onrustig. De mensen voelden zich niet veilig. Daarom bouwden ze zo sterk mogelijke forten die een vijand moeilijk kon innemen.
Toch werd dat wel eens geprobeerd. Zo'n aanval begon vaak met het omsingelen van het kasteel. Elke doorgang werd afgesloten. De kasteelbewoners konden geen kant meer op. Met een stormram, een grote houten paal, beukten de aanvallers de buitenste poort open. Met lange ladders probeerden ze over de kasteelmuren te klimmen.
Vanuit het kasteel gooiden de kasteelbewoners emmers met kokend hete olie en pek naar beneden. Boogschutters schoten pijlen af op de aanvallers. De slingerkatapult van de aanvallers slingerde grote zware stenen ver weg. Tegen de kasteelmuur aan om een gat te slaan . Daar kon geen pijl tegenop.
Als het niet lukte om het kasteel in te nemen via zo'n stormaanval, dan trok de vijand zich terug. Óf de vijand ging over tot een uithongeringsbeleg. Het kasteel werd totaal omsingeld. Als de aanvallers het maar lang genoeg vol hielden, raakten het voedsel en het drinkwater in het kasteel wel op. En dan moesten de kasteelbewoners zich wel overgeven.